maandag 14 juni 2010

ASPERGES

Regen gutst en klettert op de vooruit. Ik laveer door regen en verkeer en duik de Wetstraat in. Na het parlement is het rechtsaf. De Sint-Michiels kathedraal verschijnt als zandstenen eiland. Ik kan er de auto aanmeren.
Zal zij er zijn? Zal ik haar terugvinden?
Druipend bereik ik de schelp van het Paleis voor Schone Kunsten. De ronde toegangsdeuren bieden weerstand, klapperen na. Nog even blaast de kou. Ik voel mij als in de mondholte van een kinkhoorn.
Waar zal ik eerst zoeken?
In de hal heeft de bronzen engel een gebroken arm. Er staat een lezenaar van witgelakte vezelplaat. Een kunstwerk van Marcel Broodthaers? Het bevat een beduimelde cataloog onder glas. Twee ronde gaten laten mijn handen de bladzijden draaien tot ik bij de oorspronkelijke plannen van het PSK uitkom.
Kan dit plan mij helpen?
Het blad is gescheurd. Ik blader verder, maar word er niet veel wijzer van. Ik lees dat de kantoren en scheidingsmuren in het PSK gesloopt zijn en driehonderd medewerkers verhuisd om het Paleis toegankelijker te maken. De gangen en sluizen binnen de schelp zijn terug open.
Waar is zij?
Ik daal de trap af en bereik de “Sexties”, de tentoonstelling van erotische stripverhalen uit de jaren zestig. De muren hangen vol natte dromen van Crepax, Cuvelier, Forest en Peellaert. Muziek uit de sixties verwelkomt mij. Ik word nostalgisch.
Daar is ze. Ik herken haar gestalte, de donkere krullen, de schouders, de heupen. Zij draait zich om. Zij is het niet. Het is een bewaakster. Ik had het kunnen weten. Deze vrouw draagt het uniform van het PSK, een zwarte broek en hemd.
Zij kijkt mij aan. Ik kijk weg, wandel voorbij haar, naar de zaal van Cuvelier, waar Epoxy, naakt en met een hand tegen haar wang roept: “Dat kan niet, ik word gek”.
Hier is niemand.
In de volgende zaal stapt Barbarella uit haar klederen en roepen de toeschouwers: “Barbarella, Barbarella, si tu reviens tout ira bien”.
Ja, kom terug, dan zal alles goed gaan.
Ook hier is een zaalwachter. Hij kijkt afwezig. Ik groet hem. Hij verschiet, kijkt weg, groet mij dan terug.
“Heeft u een vrouw gezien, ongeveer een meter zestig, met donkere krullen?”
“Neen, ik werk hier maar voor vier maanden.”
“Ze heeft opvallende blauwe ogen.”
“Het spijt mij, maar ik werk hier alleen omdat ik niets anders kon vinden. Binnen een week ben ik hier weg. Dan werk ik voor de Thalys en ga ik naar Keulen, Parijs en Amsterdam.”
Boven aan de trap kom ik terug in de hal uit. Bij de lezenaar ligt een stukje van het plan van het Paleis. Is dit haar handschrift?
Haar handschrift is rond en sensueel, het onderste deel van de letters duiken naar de diepte, het bovenste deel is kort en stevig, wiegend zoals graanhalmen in de ochtendbries.
‘Le Ravenstein’ staat er, ‘dinsdag 25 mei, 14 uur.’ Le Ravenstein? Wij zijn er ooit samen geweest. Als ik de centrale hal oversteek en rechts de wenteltrap opga kom ik uit aan het Park. Rechts ligt Le Ravenstein.
In de centrale hal kletteren cimbalen. Er is geen doorkomen aan. Twee papieren draken springen en dansen en iedereen kijkt, onbeweeglijk, onbeweegbaar. Tot de draken stilvallen en het weer stil wordt. Schuifelend steek ik de hal over, bereik de trap, die in de zijkant van de schelp draait.
Een tram dendert voorbij als ik bovenkom, vonken spetteren van de bovenleiding. De Koningsstraat is natzwart, tussen grijsgrauwe wolken priemt de zon. De struiken in het park aan de overkant ogen frisgroen.
Daar is ze. Ze heeft halfhoge hakken, ranke kuiten, uitdagend wiegende heupen, een gele handtas. Een Voton, vertelde zij mij. Leer is zacht als huid en het ruikt lekker. Zo ben je nooit alleen. Het is echt leer en de Turken kunnen er ook wat van. Niemand merkt het en zoveel geld wou ze er niet aan geven.
Ik volg haar.
Onder de art nouveau luifel van Le Ravenstein staat een man. Zij kussen elkaar en ik proef de smaak van haar lippen of is het de smaak van bloed? Hij is korter en dikker dan ik. Is dit haar type? Zij omarmen elkaar en mijn maag krimpt. De zon speelt in de kleuren van de glazen luifel. De kleuren dansen op hen.
Zij gaan bij het raam zitten. Het raam waar ook wij zaten. Het raam is gevat in plantmotieven, waar ik mijn vinger langs liet glijden, nadat ik haar oor, wang en mond gevoeld had, terwijl ik het blauw zag, het blauw van haar ogen, en haar gezicht, omringd door een weerbarstig bos haren. Ik hoor haar zuchten.
Een tram remt, vonken spetteren van de wielen, staal op staal. Tot het licht groen wordt, zie ik haar niet meer.
Zij ziet er bleek uit. De garçon neemt de bestellingen. Hij heeft een witte voorschoot op een zwart hemd, een buikje, grijs haar.
Ik kijk.
Is het pijn dat ik voel? Ik proef haar smaak op mijn tong, de warmte van haar huid, de warmte die ons te veel werd, als wij zweterig plakkend terug vreemden werden.
De garçon is terug, hij zwaait het bord eerst voor haar dan voor hem. Het zijn asperges, verse asperges. Zij dampen.
Ik ruik ze, licht zuur, zoals de eerste pis na een aspergemaaltijd.
Zij draait met de pepermolen. Het prikkelt mijn tong.
Ze steekt een aspergekopje in haar mond.
Die smelt op mijn tong, smeuïg, net hard genoeg, met een stam die wat meer weerstand biedt. De kop is zacht als vilt, de stam harder, krachtig en toch meegaand.
Ik sluit mijn ogen.
Mijn eerste eigen asperges heb ik met haar gedeeld. Ik zaaide ze, plantte ze, gaf ze een bed van aarde en op een morgen zag ik de eerste lichtpaarse kopjes.
Van het graven naar asperges werden mijn handen ruw, met grijs in de poriën, rouwranden onder de nagels.
Daar houdt zij niet van.

zaterdag 20 december 2008

DOE HET ZELF

Met bewondering kijk ik naar dakwerkers die zonder vrees over een dak wandelen, licht als een vogel, sierlijk als balletdansers. Ik ben van het bange soort. Tientallen keren schuifel ik meter na meter met mijn billen over de dakpannen tot aan de nok en over de nok tot aan de schouw. Hoe lager je zwaartepunt, hoe stabieler je bent. Ik beweeg mij zijdelings, voel mij als een krab. Ik daal met emmers puin stukje na stukje over de pannen naar het dakvenster, door het dakvenster, de trap af. Het lijkt Sisyfusarbeid. Keer op keer ga ik twee verdiepingen naar omhoog met bakstenen en emmers cement. De laatste truwelen cement heb ik rechtstaand en met een schreeuw tegen de schouw gezwierd.
Ik voel mij terug mens.
Met de billen bloot zit ik nu op de nok van ons dak. Dat is goed om je hoofd koel te houden. Het adrenalinegehalte in mijn bloed voel ik dalen. Mijn hartslag en ademhaling komen tot rust.
De schouw op ons dak is hersteld, maar mijn “bleu”, mijn werkplunje, is doorgesleten.
Ik ben nog steeds gezekerd als een alpinist, gesnoerd in een klimbroek. Het touw loopt doorheen het velux-raam en is aan een deurklink gebonden. Baat het niet dan schaadt het niet. Het klimgerief kreeg ik van bezorgde buren.
De straten zie ik als een vogel, ik voel me licht. De wind voert geuren aan. Ik herken gist. In Leuven wordt bier gebrouwen. Ik herken lindebloesem. Op de vest staan lindebomen. Welke geur haalt het vandaag?
De schouw is net recht en net scheef genoeg. Het is een kunstwerk. Je erkent er de hand van de onervaren metser in. Nu nog mijn handtekening erop en ik kan het verkopen.
Eigenlijk ben ik blij dat mijn schouw niet al te zichtbaar is van op de straat.
Het is fris op ons dak. De zomermerel geeft een aria drie daken verder. Een duif baltst. Zij moet er niets van weten, vliegt weg, twee bomen verder. Ik keer terug naar binnen, onder ons dak. Het is voorbij. Missie volbracht.

zaterdag 26 juli 2008

DE BOEKENBOOM

Er groeit een boekenboom in ons huis. Zijn vruchten vullen steeds meer rekken, tafels en kasten. Uit ons vorig huis is hij mee verhuisd. Hij wil over zijn vruchten waken.

Rekken staan vol met boeken die stof verzamelen. Als ik ze gelezen heb neem ik ze nog zelden vast. Ik heb ze niet allemaal gelezen. Als je een boek hebt, heb je de inhoud. Met een doe het zelf boek in de kast kan ik alles in huis herstellen. De rug van de wijnencyclopedie is ongeschonden, maar alle wijnen heb ik geroken en geproefd.

De boekenboom adopteerde ook boeken van mijn ouders. Die boekjes hebben een crèmekleurige leren rug en een rookgeur tussen de bladzijden. Zijn ze gered uit het in 1932 brandend kasteel? Werden ze bij een haardvuur gelezen? Er is een Romeinse geschiedenis (uitgave 1814) en een jachtencyclopedie in vier delen (uitgave 1839). Twee delen spreken van jacht met stilstaande honden, een deel van jacht met lopende honden en een deel van jacht met netten. Volgens de ondertitel is dat laatste voor dames.
Mijn vader was een jager. Die boekjes heeft hij niet gelezen. Het bezit ervan was voldoende.

Boeken staan dubbel in de rij. De verborgen ruggen maken het zoeken moeilijk. Ik wil afscheid nemen van boeken, maar zij belanden terug in het rek.

Laat boeken een tweede leven krijgen. Als je de boeken weggeeft die je het liefst hebt, blijf je met rest zitten. Dat maakt het afscheid makkelijker.

Engelse romans kon ik aan een vriendin kwijt en twee dozen boeken heb ik meegegeven aan de SPIT-vrachtwagen, die tweedehandse meubels kwam leveren in onze straat.

Nu kijk ik iedere morgen naar één (bijna) lege plank van het boekenrek in onze slaapkamer. Hilde heeft er hoeden op gelegd. De boekenboom kan er zijn vruchten niet meer kwijt.

vrijdag 11 juli 2008

JAN FABRE IN HET LOUVRE

Jan Fabre heeft op het Ladeuzeplein te Leuven een gespietste vlieg. Ik vind het fascinerend. Een vrouw vond het te mannelijk voor de “Sedes Sapientiae”. Over kleuren en geuren, vliegen, spinnen en kakkerlakken, valt niet te redetwisten.

Tot 7 juli 2008 was Fabre als “Engel van de metamorfose” in het Louvre.

In verwondering slenter ik door de zalen tussen Fabre en de middeleeuwse meesters, tussen de portretten van mensen die er niet meer zijn.

Van te kijken in een microscoop krijgt hij het spek aan zijn been, waar het Louvre hesp (“jambon”) van maakt.

Als een gisant ligt Fabre tussen de “oude meesters”. Al wat blinkt is geen goud, maar duimspijkers.

Kevers blinken groen, bruin en rood op een hesp. De hesp lijkt te krioelen. Weet dat gij stof zijt en tot stof zult wederkeren.

Een mestkever rolt een bol van kevers. Drie filosofen rollen een bol mest op een video.

De mens is insect geworden. Hij heeft een extern skelet van beenderschijfjes op kiekendraad. Niets is wat het is.

Het gouden lam (kalf) kijkt naar zichzelf, gestorven. Beiden dragen een puntmuts. Niets is wat het lijkt.

Uilenmaskers kijken je doordringend aan.

Rond de trappen schijten met blauwe bik gekleurde muranoglasduiven muranoglas. Pas op voor de scherven!

Als afscheid kronkelt Fabre levensgroot als worm tussen tientallen grafstenen. De namen van insecten zijn er in gebeiteld, voor eeuwig, tot de volgende kunstenaar het Louvre mag bezetten.

donderdag 10 juli 2008

SLAKKEN HEBBEN DE VRT BEREIKT

Bij het begin van de lente vergeleek ik mij als tuinier met God. De tuinier als schepper. Hij zaait, kijkt, ziet groeien, oogst en deelt groenten uit. “Een tuinier doet Gods werk teniet” zei een vriendin “Wat spontaan groeit noemt de tuinier onkruid. Ook de tuinier is uit het aards paradijs verdreven. Sinds de verleiding door Eva en de appel werkt de mens in het zweet des aanschijns en ruikt de wereld minder fris.” Ik hou van vrouwenrelativerende vrouwen.

Geselende regenbuien maakten mijn groentetuin onbewerkbaar tot april. De laatste zakjes diepvriesgroenten van de vorige oogst ontdooiden als sneeuw in de zon. Toch was er hoop. Tuinkers groeide snel en gaf een pittige smaak bij de sla. Radijsknollen bleven klein, maar het blad gaf een soep met zachte notensmaak. Spontaan uitgezaaide sla verhuisde naar een bedje en kropte wellustig.

Dan sloeg een van de zeven plagen toe, geen sprinkhanen, maar een ander onvermoeibare veelvraat.

Escar’go korrels helpen niet. Ik zaai, maar zie niets groeien. Vijf keren heb ik sla gezaaid. Kolenplantjes worden een geraamte van nerven. Boontjes verdwijnen de grond in. Peterselie en postelein zijn een vrome wens. God heeft mij gehoord en mijn hoogmoed gestraft.

Het VRT-nieuws meldde een wonderbaarlijke slakkenvangst, een goddelijke gift, geurig met peterselie, knoflook en echte boter. Ik kan er niet mee lachen. De slakken hebben mijn peterselie opgegeten.