vrijdag 11 juli 2008

JAN FABRE IN HET LOUVRE

Jan Fabre heeft op het Ladeuzeplein te Leuven een gespietste vlieg. Ik vind het fascinerend. Een vrouw vond het te mannelijk voor de “Sedes Sapientiae”. Over kleuren en geuren, vliegen, spinnen en kakkerlakken, valt niet te redetwisten.

Tot 7 juli 2008 was Fabre als “Engel van de metamorfose” in het Louvre.

In verwondering slenter ik door de zalen tussen Fabre en de middeleeuwse meesters, tussen de portretten van mensen die er niet meer zijn.

Van te kijken in een microscoop krijgt hij het spek aan zijn been, waar het Louvre hesp (“jambon”) van maakt.

Als een gisant ligt Fabre tussen de “oude meesters”. Al wat blinkt is geen goud, maar duimspijkers.

Kevers blinken groen, bruin en rood op een hesp. De hesp lijkt te krioelen. Weet dat gij stof zijt en tot stof zult wederkeren.

Een mestkever rolt een bol van kevers. Drie filosofen rollen een bol mest op een video.

De mens is insect geworden. Hij heeft een extern skelet van beenderschijfjes op kiekendraad. Niets is wat het is.

Het gouden lam (kalf) kijkt naar zichzelf, gestorven. Beiden dragen een puntmuts. Niets is wat het lijkt.

Uilenmaskers kijken je doordringend aan.

Rond de trappen schijten met blauwe bik gekleurde muranoglasduiven muranoglas. Pas op voor de scherven!

Als afscheid kronkelt Fabre levensgroot als worm tussen tientallen grafstenen. De namen van insecten zijn er in gebeiteld, voor eeuwig, tot de volgende kunstenaar het Louvre mag bezetten.

donderdag 10 juli 2008

SLAKKEN HEBBEN DE VRT BEREIKT

Bij het begin van de lente vergeleek ik mij als tuinier met God. De tuinier als schepper. Hij zaait, kijkt, ziet groeien, oogst en deelt groenten uit. “Een tuinier doet Gods werk teniet” zei een vriendin “Wat spontaan groeit noemt de tuinier onkruid. Ook de tuinier is uit het aards paradijs verdreven. Sinds de verleiding door Eva en de appel werkt de mens in het zweet des aanschijns en ruikt de wereld minder fris.” Ik hou van vrouwenrelativerende vrouwen.

Geselende regenbuien maakten mijn groentetuin onbewerkbaar tot april. De laatste zakjes diepvriesgroenten van de vorige oogst ontdooiden als sneeuw in de zon. Toch was er hoop. Tuinkers groeide snel en gaf een pittige smaak bij de sla. Radijsknollen bleven klein, maar het blad gaf een soep met zachte notensmaak. Spontaan uitgezaaide sla verhuisde naar een bedje en kropte wellustig.

Dan sloeg een van de zeven plagen toe, geen sprinkhanen, maar een ander onvermoeibare veelvraat.

Escar’go korrels helpen niet. Ik zaai, maar zie niets groeien. Vijf keren heb ik sla gezaaid. Kolenplantjes worden een geraamte van nerven. Boontjes verdwijnen de grond in. Peterselie en postelein zijn een vrome wens. God heeft mij gehoord en mijn hoogmoed gestraft.

Het VRT-nieuws meldde een wonderbaarlijke slakkenvangst, een goddelijke gift, geurig met peterselie, knoflook en echte boter. Ik kan er niet mee lachen. De slakken hebben mijn peterselie opgegeten.